
Stel. Je werkt al je hele leven in een fabriek. Een harde, maar toffe baan. En dan krijg je plots te horen dat je ontslagen bent. Je voelt je slecht. Rotslecht. Zo slecht dat je op den duur ’s ochtends niet meer uit je bed geraakt. Zelfs in eten of in iets leuks doen met je vrienden of vriendinnen heb je geen zin meer.
Na enkele maanden beslis je naar de huisarts te gaan en te vertellen dat je je depressief voelt. De huisarts verwijst je door naar een psychiater.
Je komt bij de psychiater, vertelt hoe slecht je je voelt, dat je ontslagen bent en het niet meer ziet zitten. Maar echt naar jouw verhaal luisteren doet hij niet, heb je de indruk. “Je hoeft je niet te schamen”, zegt hij. “Wel één op de zes Belgen heeft ooit een depressie doorgemaakt. Hoewel de omgeving een rol speelt, heeft een depressie een fysiologische grondslag.” De psychiater vertelt je dat er bij een depressie iets fout loopt met de neurotransmitters, dat zijn chemische stofjes die de communicatie tussen hersencellen mogelijk maken. Vooral een tekort aan de neurotransmitters noradrenaline en serotonine zouden aan de basis liggen van een depressie. Want antidepressiva zorgen ervoor dat dit tekort wordt opgeheven.
“Wat die psychiaters wel niet allemaal weten!”, denk je bewonderend. “Neurotransdinges en zo, amai, die moeilijke woorden gaan mijn petje te boven. Maar die dokters zullen wel gelijk hebben, zeker?!”
“Maar”, denk je plots, “ik voel mij toch eigenlijk slecht omdat ik mijn baan ben verloren?!” “Vreemde boel is dat. Ik ben niet depressief omdat ik mijn werk kwijt ben? Het zijn mijn hersenen waar iets aan mankeert? Of is het beide?”
"De Lange Golven van de Psyche"
Eric Rosseel Netwerk Psychiatrie en Samenleving
Information
Information
